
De Niewe Duytsche Liedekens van Jacob Baethen (1554) alias het Maastrichts liedboek
Louis Peter Grijp
'Al hadden we vijfenveertig bedden, we zouden in mei een pluimke niet hebben, omdat het zo waait', aldus een verliefde zanger. Wat wil hij daarmee zeggen? Waait het zo hard dat in mei de veertjes van vijfenveertig bedden zullen zijn weggeblazen? Of gaan de gelieven zo te keer dat alle bedden in mei geheel versleten zullen zijn?
'Al hadden we vijfenveertig bedden' is een van de Niewe Duytsche Liedekens, gedrukt in Maastricht in 1554. Dat 'Duytsche' is ook al verwarrend. Het betekent echter gewoon 'Nederduits', dat wil zeggen 'Nederlands'. Het gaat om liederen in de Nederlandse taal. Dat was in 1554 een actuele zaak. Zoals in alle tijden zongen Nederlanders ook in de zestiende eeuw niet graag in de eigen taal; dat geldt althans voor die Nederlanders die ook andere talen beheersten, laten we zeggen de gegoede burgerij en de adel. Het Frans overheerste in de wereldlijke muziek van de elite, en ook Nederlandstalige componisten schreven bij voorkeur op Franse of eventueel Italiaanse tekst. Dit lokte een reactie uit van Tylman Susato, muziekuitgever te Antwerpen. Susato riep zijn componerende landgenoten op stukken in hun moedertaal bij hem in te leveren. Hij wilde ze uitgeven om te bewijzen dat muziek in de Nederlandse taal even goed kon zijn als in het Frans, Latijn en Italiaans. Susato deed zijn oproep in het Ierste musyck boexken (1551), waarmee hij meteen het goede voorbeeld gaf: in dit bundeltje gaf hij vierstemmige zangmuziek uit in de Nederlandse taal, van diverse componisten. In hetzelfde jaar drukte Susato een Tweeste musyck boexken, en hij zou de reeks voortzetten met de driestemmige Souterliedekens van Clemens non Papa, in vier deeltjes (1556-1557), en de vierstemmige Souterliedekens van Gerardus Mes, eveneens in vier deeltjes (1561). Betekent deze indrukwekkende reeks van tien uitgaven dat Susato's oproep algemeen aansloeg? Niet per se; geen van de boekjes werd herdrukt. Susato kan een idealist zijn geweest, of tegen beter weten in zijn project hebben doorgezet, mogelijk ook uit sympatie met de protestantse zaak, waarnaar de Souterliedekens verwijzen. Meer zegt het dat zijn initiatief navolging kreeg buiten Antwerpen: in 1554 gaf Jacob Baethen in Maastricht een soortgelijk boekje uit, en in 1572 Phalesius te Leuven.
De boekjes van Susato en Phalesius zijn vrij bekend en in moderne edities beschikbaar. Het Maastrichtse liedboek van Baethen heeft veel minder aandacht gekregen. Dat is niet verwonderlijk, want de muziek is incompleet: van de vijf stemboeken ontbreekt de sopraanpartij. Toch is Baethens boek onze aandacht waard. Het bevat vrijwel uitsluitend nieuwe composities; van Susato nam hij slechts een enkel stuk over. Daarentegen ontleende Phalesius voor zijn Duytsch musijck boeck van 1572 maar liefst dertien composities aan Baethens bundel. Daarmee vormt deze een belangrijke schakel in de opleving van Nederlandstalige muziek in de zestiende eeuw.
De volledige titel van Baethens bundel is Dat ierste boeck vanden Niewe Duytsche Liedekens. De benaming 'Maastrichts liedboek' is van veel later datum, als ik het goed zie geïntroduceerd of in elk geval gecultiveerd door Ben Salemans, neerlandicus van Maastrichtse afkomst en auteur van een grondige studie van de bundel. Dat het in Maastricht verscheen is echter bijna toeval. Jacob Baethen was oorspronkelijk als boekdrukker gevestigd in Leuven, waar hij aan de universiteit had gestudeerd. Hij werkte er onder meer voor de bekende uitgever Phalesius. Mogelijk vanwege de grote concurrentie moest Baethen Leuven verlaten en in 1551 vestigde hij zich in Maastricht. Deze stad had op dat moment geen boekdrukker binnen haar muren en bood gunstige voorwaarden: Baethen hoefde geen lid te worden van een gilde, niet mee te werken aan de nachtwacht en kreeg daarbij een toelage van tien Brabantse guldens per jaar. Hij gaf er in de tijd van zo'n drie jaar tenminste elf boeken uit, waaronder twee met muziek. In 1554 verliet hij de stad alweer en trok naar Düsseldorf, waar hij het ook maar een paar jaren volhield. Via Keulen lijkt hij terug te zijn gekeerd naar het ouderlijk huis, nabij Heverlee.
Wat is er nu Maastrichts aan het Maastrichts liedboek, behalve dat het in die stad is gedrukt en uitgegeven? In elk geval niet de taal. Deze is de standaard-Nederlandse schrijftaal van de tijd, en vertoont weinig regionale kleuring. Wel toont het titelblad een gezicht op de stad Maastricht, te herkennen aan het wapenschild met de ster. De bundel muziek bevat ook muziek van enkele Maastrichtse componisten. De belangrijkste is Ludovicus Episcopius, van wie maar liefst zeven composities zijn opgenomen. De stukken met vijf, zes en acht stemmen, waarmee Baethens bundel zich onderscheidt van Susato's geheel vierstemmige Ierste musyck boexken, zijn allemaal van Episcopius, die daarmee een ereplaats in de bundel inneemt. De componist, geboren in Mechelen, was tientallen jaren kapelmeester aan de Sint Servaas. Een andere componist die bij het drukken van Baethens bundel in Maastricht verbleef, is Franciscus Florius, mogelijk een geboren Maastrichtenaar. Van hem is één driestemmig stukje opgenomen. In het nabijgelegen Luik werkte verder Jean Petit de Latre, die met twee composities is vertegenwoordigd. Van hem gaf Baethen ook een bundel Lamentationes uit. Het is opmerkelijk dat een componist uit een franstalig gebied Nederlandse teksten op muziek zette. Wel trok De Latre naar het noorden, naar Amersfoort en Utrecht, maar dat was pas na 1554. Zijn biografie is echter verre van compleet en mogelijk heeft De Latre al eerder in een nederlandstalig gebied gewerkt.
Andere componisten die Baethen koos, waren meer naar het westen werkzaam: Jacobus Clemens non Papa in onder meer Brugge, Den Bosch en wellicht Ieper, Jean Wintelroy in Den Bosch en Servaes van der Muelen in Bergen op Zoom. Alle drie waren verbonden aan geestelijke instellingen. Van hen is Clemens met vijf stukken het best vertegenwoordigd. Tenslotte zijn er nog enkele componisten van wie maar heel weinig bekend is: Theo. Evertz, Claudius Salmier, Joan. Zacheus en Pierken Jordain. De laatste was mogelijk een studiegenoot van Baethen uit Leuven. Afgezien van Clemens zijn het dus vooral minder bekende componisten van wie Nederlandstalige composities beschikbaar waren. Wat dat betreft onderscheidt de bundel van Baethen zich nauwelijks van die van Susato.
Zoals gezegd ontbreekt het sopraanstemboek van Baethens Niewe Duytsche Liedekens. In Phalesius' Duytsch Musijck boeck van 1572 en een enkele andere bron zijn evenwel een aantal stukken uit Baethens bundel compleet bewaard. Ook zijn her en der reconstructies gemaakt, onder meer van de stukken van Clemens en Episcopius, en daaraan hebben we er zelf enkele toegevoegd. Reconstructie van de bovenstem is een secuur werkje, want deze bepaalt het 'aangezicht' van de compositie. Door goed te letten op ontbrekende akkoordtonen, cadensformules en imitaties lukt het meestal een redelijk deel van de oorspronkelijke partij terug te vinden. De rest moet naar eigen inzicht worden aangevuld. Zo kan men alsnog een goede indruk van Baethens bundel krijgen, en daarmee van zijn bijdrage aan het Nederlandstalige meerstemmige muziekrepertoire uit het midden van de zestiende eeuw.
Dit repertoire diende als huismuziek voor de betere standen. Waarover zongen zij? Baethen koos minder vaak zotte teksten dan Susato, maar die hij koos mochten er zijn. 'Gildekens' (drinkebroers, doordraaiers) zuipen door tot ze platzak zijn, om vervolgens uit de kroeg te worden gesmeten:
Wy
comen hier gheloopen,
Ons ghelt es al verteert.
Ons cleeren wy vercoopen.
Den cost gheeft ons de weert.
Als
wy niet meer betalen
dan eest: "pac uut,
ghy vuylen, druyt!
Ic sal den dienaer halen!"
Dan rest hun slechts het schip van Sinte Reynuut ('schoon op') te betreden:
Sinte
Reynuut die es ons paige,
Tschip es bereet, so elc wel weet.
Compt doet u pelgrimaige!
Een ander schip, vol vrolijke vrouwtjes, ligt klaar bij de serieuze kerkcomponist Clemens non Papa:
Te
schepe wart! Tes meer dan tijt
En laet ons gaen vruecht hanteren!
Elc sy verblijt, maect groot jolijt,
Helpt ons de feest vermeeren,
Met vroukens fijn, elc kies de sijn
En houts altijt in eeren.
Via Phalesius' bundel werd een lied van Episcopius bekend over een student die zijn hoofd niet bij de boeken kan houden ('Ick zou studeren in eenen hoeck'). Te veel geroep buiten op straat. Dat is in het lied dan ook in volle hevigheid te horen. Luidkeels worden almanakken, rijnwijn, spelden en naalden, mosselen en rattenkruid aangeboden.

Er zijn ook liedjes met een scabreuze ondertoon. Daartoe hoort de boven aangehaalde compositie van De Latre:
Al
hadde wy vijfenveertich bedden
wy souden te mey één pluymken niet hebben
Om dat dus wayt,
wy willen niet scheyden noch beyden
tot dat haenken krayt.
In het Zutphens liedboek van 1537 komt deze strofe ook voor, maar hier als onderdeel van een langer drinklied, 'Enn will wy tafentt genochlich sienn' (En willen wij vanavond vrolijk zijn). Een jongeman besluit 's avonds zijn goedje met zijn makkers te verteren en schept op over zijn vriendin, die er helaas niet bij is. In het Middelnoordoostnederlands dat in Zutphen gesproken en geschreven werd, klinkt het zo:
Auch,
had ich 25 bedden,
tho meye wollt ick er niett ann plomken fan heben,
Refrein: als wientien so weitt
wir [willen niet scheiden
wir willens ferbeyden,
as hantien kreytt.]
In mei bemint men zijn liefje buiten, onder de blote hemel, suggereert de editor van het Zutphens liedboek. Vandaar dat de 'ik' dan geen veertje zou gebruiken, al had hij 25 bedden. Het windje heeft daar niets mee te maken; dat blijkt samen met het haantje het refrein te vormen. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal wordt een oude gerechtelijke uitdrukking aangehaald: 'zo lang de wind waait en de haan kraait', wat 'ten eeuwigen dage' betekent. In het liedje lijkt me 'de hele nacht door' wel voldoende. Dat geldt dan voor alle coupletten, zowel voor het drinken in de taveerne als voor de te bedrijven liefde. Hetzelfde Woordenboek meldt ook nog dat 'waaien' vurig minnespel kan aanduiden en haalt daarbij het lied van De Latre aan; een dubbele betekenis dus, die het lied nog wat pikanter maakte. De dichter realiseert zich dat het in mei 's nachts buiten weinig behaaglijk is, blijkens het laatste couplet:
Had
ich mien freundtien in miennen arm,
wer sie kollt, ich machtt sie warm,
as wienntien weytt, enz.
(Had ik mijn vriendin in mijn armen en had ze het koud, ik zou haar warm maken). Dankzij het Zutphens liedboek, dat alleen eenstemmige liederen bevat, weten we dat De Latre's compositie een meerstemmige zetting van een eenstemmig lied is. Althans, van één strofe daaruit. In het Maastrichts liedboek staan meer composities die op eenstemmige liederen zijn gebaseerd. Doorgaans is maar één strofe op muziek gezet. Het was vast niet de bedoeling dat de andere strofen steeds op dezelfde muziek werden gezongen. Dat is weliswaar bij eenstemmige liederen gebruikelijk, maar in de meerstemmigheid zou de verveling snel toeslaan. De 'ontbrekende' coupletten staan dan ook niet in het Maastrichts liedboek afgedrukt.
De mei, die bij De Latre wordt genoemd, is sleutelbegrip voor een aantal meiliederen. Het bekendst is 'De lustelijcke mei': naar buiten, waar de vogeltjes fluiten, o Venusdienaars! En neem je liefje mee. De zanger wenst zich een bedje waarop hij met zijn geliefde wil spelen, 'moedernaect / also men die bervoetekinderkens maect'. Ook dit is weer een eenstemmig lied, door Clemens non Papa voor vier stemmen gezet. Clemens en vermoedelijk ook De Latre gebruikten daarbij de oorspronkelijke, eenstemmige melodie. De meeste composities in het Maastrichts liedboek zijn evenwel zettingen van teksten die nooit als eenstemmig lied gezongen zijn. In die zin is de term 'liedboek' enigszins verwarrend. Het gaat bij het Maastrichts liedboek om zelfstandige meerstemmige composities, die met het eenstemmige liedgenre meestal niet meer dan de taal gemeen hebben, en slechts af en toe een tekst. Het Kamper liedboek (1540) is ook zo'n meerstemmig liedboek, het Zutphens en het Antwerps liedboek zijn daarentegen eenstemmig en bevatten alleen teksten, geen muzieknotatie.
Een liedje waar de dubbelzinnigheid van af druipt is 'Een aerdich meysken, seer jonck van jaren', door een anonieme componist getoonzet. Het meisje past goed op haar hofje, maar wordt door een herder lastiggevallen, die zijn varkentje naar binnen wil drijven. Na enig tegensputteren geeft ze toe: 'Laet wroeten dat verxken; tis sijn natuere'.
De vrolijke voorbeelden die ik hier geef, verdoezelen enigszins wat ik eerder stelde: Baethens bundel is minder lollig dan die van Susato. Voeren bij laatstgenoemde de zotte liederen van gildekens en willige meiskens de boventoon, bij Baethen is de meerderheid van de liederen gewijd aan het thema van de onbeantwoorde liefde: 'O scheyden ghy doet my trueren', 'Alle mijn ghepeys doet mij soo wee', 'Al is den tijt nu doloreus', enzovoorts. Deze melancholie komt het muzikale gehalte van de bundel overigens beslist ten goede.
Literatuur
Een grondige studie van alle aspecten van het Maastrichts liedboek, behalve het muzikale, vindt men in Ben Salemans, De drukker Jacob Bathen en het Maastrichts liedboek uit 1554. Nijmegen 1984, een gedrukte doctoraalscriptie. Zie verder Jan Willem Bonda, De meerstemmige Nederlandse liederen van de vijftiende en zestiende eeuw. Hilversum 1996, en de studies van Lenaerts en Schreurs. Het Zutphens liedboek werd uitgegeven door H.J. Leloux (Zutphen 1985).
Overgenomen uit: Tijdschrift voor Oude Muziek, februari 1999.