illustratie uit Startes Friesche Lusthof (1621)


DE ZINGENDE KLUCHT VAN LIJSJE FLEPKOUS

Louis Peter Grijp


Een echte titel heeft Jan Janszoon Starter zijn klucht niet meegegeven. Kluchtigh t'samen-Gesang van dry Personagien, staat er boven in zijn Friesche Lusthof (1621), in de afdeling Boertigheden.Voor de eerste uitvoering na bijna vier eeuwen heeft Camerata Trajectina het stuk herdoopt tot de Zingende klucht van Lijsje Flepkous, naar de heldin van Starters stuk.

Volgens de personagelijst is Lijsje een 'deurtrapt Meysje', maar 'doortrapt' had in de Starters tijd nog niet de ongunstige bijklank van tegenwoordig. Het betekende zoveel als 'slim', 'gewiekst', en dat ís Lijsje ook: een handige meid die wel weet hoe ze een opdringerige kerel moet afpoeieren. Het is deze 'halfbakken vrijer' Knelis Joosten uitsluitend om de seks te doen. Hij neemt zijn toevlucht tot een oude truc: men neme de begeerde dame mee naar een herberg en voere haar dronken. Lijsje, die Knelis al meerdere keren de deur heeft gewezen en tabak van hem heeft, besluit ditmaal het spelletje mee te spelen. Gewillig laat ze zich meevoeren, maar ze zorgt er wel voor dat Knelis twee maal zoveel alcohol binnenkrijgt als zij zelf. Als hij tenslotte overmand door de drank in slaap valt, kan ze met hem doen wat ze wil. Daarover straks meer.

Zingende kluchten waren in de zeventiende eeuw korte toneelstukjes die in hun geheel gezongen werden op populaire melodieën. Het genre was afkomstig uit Engeland, waar het 'jig' genoemd werd. De jig heeft zijn oorsprong in de zestiende-eeuwse orale volkscultuur en laat zich niet gemakkelijk traceren. De jig was natuurlijk een dansvorm, maar er waren ook liederen die 'jig' genoemd werden, vaak dialogen. Deze jigs zullen al zingend en dansend uitgevoerd zijn. Een beroemde jig-artiest was de clown Richard Tarlton (gestorven in 1589), die bij voorkeur optrad in typische plattelandskleding van grove roodbruine stof, als boertje van buut'n dus. Andere populaire jig-karakters waren kobolds, duivels, zondebokken en zotten. Ook waren er vissenclowns, gekleed in een vissenvel, of met een haring aan hun zottekap, bijvoorbeeld Stockfish en Pickleherring. De vroegste jigs zijn, voor zover we weten, rond één zo'n artiest gecentreerd. Van Tarlton is bekend dat hij aan het einde van een jig improviseerde op thema's die hij opkreeg.

Een andere beroemde jig-speler was Will Kempe, een acteur die ook serieuze rollen speelde en samen met Shakespeare deel uitmaakte van Lord Chamberlain's Men. In 1600 volbracht Kempe zijn Nine days wonder: hij morris-danste in negen dagen van Londen naar Norwich, een afstand van meer dan honderd mijl – overigens met royale tussenstops. Kempe heeft verscheidene malen het vasteland bezocht, onder meer in dienst van de Hertog van Leicester, toen deze zich in de Nederlanden ophield. Kempe zou dan ook degene zijn geweest die de jig naar het continent heeft gebracht. In elk geval moeten jigs door Engelse komediantentroepen in Nederland zijn gespeeld, evenals in Duitsland en zelfs in Scandinavië. Er zijn nogal wat jigs die niet in het Engels zijn overgeleverd, maar die we uitsluitend in Nederlandse of Duitse versies kennen, bijvoorbeeld uit de druk Engelische Comedien und Tragedien (1620). Op het continent werden de jigs 'zingende kluchten' of 'Singspiele' genoemd.


Interieur van een Haagse kermisbarak,
gravure van Adriaen van der Venne in 'Tafereel van de Belacchende Werelt', 1635

Met de komedianten reisden ook muzikanten mee, om de voorstellingen op te luisteren. Deze influx valt samen met de komst van talrijke Engelse serieuze musici naar het continent, zoals Peter Philips, Richard Machin, William Brade en John Dowland, die in de Nederlanden, Duitsland en Scandinavië werk vonden. In de Nederlandse liedboeken zien we vanaf ongeveer 1590 Engelse melodieën opduiken, dat wil zeggen dat de Engelse invloed zich ook in de populaire muziek deed gelden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw was ongeveer een kwart van de liedmelodiën uit Engeland afkomstig. Daaraan heeft de succesvolle dichter Jan Janszoon Starter het zijne bijgedragen. In Friesland geboren uit Engelse ouders introduceerde hij in zijn Friesche Lusthof menige Engelse melodie in de Republiek, en vaak met groot succes. Zo is hij degene geweest op wiens Nederlandse teksten Engelse melodieën als Twas a youthful knight which loved a galjant Lady (bij Starter 'Blydschap van mijn vliet'), D'Engelsche Kloke Dauns ('Ick had voor desen, so doen ik noch') en Com Sheapherdes deck your heds ('Lieflocksters van de min') populair werden.

Intussen waren de jigs van volkse clown-acts uitgegroeid tot echte toneelstukjes met verscheidene personages. De dans was echter niet of niet helemaal verdwenen. Boven een Duitse versie van de bekende jig Rowland lezen we bijvoorbeeld 'Gar kurtzweilig zusingen und zu Dantzen'. Dit is echter nog een kort stuk, meer een lied eigenlijk, hoewel er vier personages aan deelnemen: een man, zijn buurman, een overspelige echtgenote en een koster. De actie voltrekt zich in negen strofen van acht verzen op een melodie die in Holland bekend stond als Soet Robbertjen. In een veel langer stuk als The cheaters cheated, met 97 strofen, wordt in de kantlijn expliciet vermeld dat een marskraamster al zingend danst: 'Tune changeth, she singeth and danceth'. Ze zegt het ook zelf: 'I can dance, and I can sing/ I am good at either'. Even later danst een man met haar mee ('Both dance to their own singing'). Dergelijke aanwijzingen voor de dans zijn evenwel zeldzaam in genoteerde jigs.

Of in een Nederlandse zingende klucht als die van Lijsje Flepkous ook werd gedanst is niet goed te zeggen; er staat in elk geval niets over in. Wel zijn er duidelijke aanwijzingen voor de muziek, duidelijker dan in The cheaters cheated waarin alleen wordt gemeld wanneer de melodie verandert. Starter geeft keurige wijsaanduidingen, zoals gebruikelijk in Nederlandse liedboeken. Zijn klucht begint met een monoloog van Knelis, te zingen op de stem Pekelharings, ofte Pots hondert tausent Slapferment. Pekelharing of Pickleherring is in de jigs het prototype van de drinkebroer, en 'Pots honderdduizend slapperment' zijn standaardvloek. Op de Pekelharing-melodie, een van de populairste in het jig-repertoire, vertelt Knelis dat hij dol is op Lijsje, maar dat zij niets van hem moet hebben. Lijsje komt vervolgens op met een klacht over ontrouwe minnaars, die ze zingt op de stem Courante Serbande. Opmerkelijk is dat Starter niet alleen Engelse maar ook Franse en Nederlandse melodieën gebruikt in zijn jig. Maar het meest frequent zijn de typische jig-deunen, zoals Pekelharing, D'Engelsche fa la la en Ick ben tot Amsterdam gewesen, hu, hu. In totaal schrijft Starter acht verschillende melodieën voor in zijn klucht, waarvan er enkele meerdere malen worden gebruikt.

Het was niet altijd eenvoudig die melodieën terug te vinden. Met name van de jig-melodieën zijn notaties zeldzaam en de verwijzingen vaak indirect. In de melodie-uitgave van Starter door Marie Veldhuyzen uit 1967 zijn van de acht verschillende melodieën uit de klucht van Lijsje Flepkous er maar drie in zingbare vorm opgenomen. De noten van D'Engelsche fa la la bijvoorbeeld blijken bij nader toezien te staan in Camphuysens Stichtelycke Rymen (1624) verscholen achter de Duitse wijsaanduiding Mein hert is betrubt biss in dem thodt, Fa la la la la la la la la la, die inderdaad afkomstig is uit een vertaalde jig. De noten van Ick ben tot Amsterdam gewesen bleken te vinden in de klucht Der Narr als Reitpferd, waar het lied door Pekelharing wordt aangeheven ('Zu Ambsterdam bin ich gewesen'). Het lied dat Knelis zingt wanneer hij door Lijsje dronken is gevoerd, gaat op de wijs Als ghy dan komt inden Hage, waarvan de melodie slechts te vinden is in het Luitboek van Thysius (Leiden, ca 1600). Na enig passen en meten van de tekst op de noten komt er een ware kraker te voorschijn, met het tot meezingen uitnodigende refrein Tirittum fa sol la fa mi re. Bij Knelis gaan op deze deun alle remmen los: 'Meysje met jou blancke billen/ en jou blond gekrulde hayr,/ Soud jy niet een reysje willen/ met een landsknecht hier of daer?'

Met deze 'blanke billen' naderen we het hoogtepunt van het stuk. Knelis valt na zijn obscene gelal in slaap en Lijsje maakt van de gelegenheid gebruikt om hem eierstruif in zijn broek gieten. Als Knelis wakker wordt, dringt het langzaam tot hem door dat hij in zijn eigen val gelopen is. Met veel misbaar roept hij de duivel aan om Lijsje te halen, die onderwijl een 'klapbus met nat buskruit' aan Knelis' vochtige achterste hangt en in brand steekt. Ongetwijfeld knetterend vuurwerk. Knelis rent vervolgens 'verbaasd zijnde' over het toneel en zingt daarbij 'Wat drommel voel ick hier?/ My dunckt ick ben vol vyer./ O myn aers is in brand!' Deze geestige constatering wordt verscheidene malen herhaald. De bijbehorende melodie leek van de aardbodem verdwenen, maar dankzij de Nederlandse Liederenbank van het Meertens Instituut kon toch een gelijkvormige melodie worden gevonden, waarop Knelis' lied exact past. Toeval is uitgesloten, hij moet zijn klacht op dezelfde noten hebben gezongen als waarop Adriaen Valerius enkele jaren later het stichtelijke lied Tquaet groeyt in groot getal dichtte, met de onbegrijpelijke wijsaanduiding 'Engels Oud Joen'. Dat dit spektakellied als het hoogtepunt van Starters klucht gold, vinden we bevestigd in een imitatie door toneelschrijver Jan van Arp uit 1630. Die laat in zijn Singhende klucht van dronken Goosen de hoofdpersoon dezelfde behandeling ondergaan als Knelis, waarbij Goosen zingt 'Wat voel ick aen mijn naers / Och ’t is een barrende kaers', op precies dezelfde melodie als Knelis in Lijsje Flepkous.

Dankzij dit muziekwetenschappelijk onderzoek is het nu voor het eerst mogelijk Starters klucht integraal op de originele melodieën uit te voeren. Het is bij mijn weten sowieso voor het eerst sedert de zeventiende eeuw dat er een zingende klucht wordt opgevoerd, althans in Nederland. In 1995 werd de jig Singing Simpkin in het Boston Early Music Festival gespeeld. De gewoonlijk o zo serieuze recensent van The Boston Globe heeft daarbij naar eigen zeggen over de grond gerold van het lachen. Wat op papier oogt als onderbroekenlol uit een tijdperk met een ander gevoel voor humor dan nu, blijkt op de planken nog steeds op de lachspieren te kunnen werken.




detail uit een boerenkermis van Pieter Balten (1540-1598)

Het is niet bekend hoe en wanneer Starters klucht van Lijsje Flepkous is opgevoerd. Kluchten werden vaak na tragedies gespeeld, maar op de Amsterdamse Schouwburg, waarvan we het programma van dag tot dag kennen, is Lijsje nooit gegaan. Mogelijk is het stuk door rederijkers gespeeld, of door rondreizende troepen, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de kermis. Dat gebeurde dan in tenten of tijdelijke bouwsels, of ook wel buiten op straat. De zingende klucht van Lijsje Flepkous, met z'n bescheiden cast van drie zangers, is heel geschikt voor zo'n openluchtvoorstelling. Op vroeg-moderne schilderijen en prenten zien we kluchten gespeeld worden op een manshoog plankier met een rechthoekige tent erachter waarin de spelers zich konden ophouden als ze niet op het toneel waren.

In het kader van het thema Ars audiendi speelt Camerata Trajectina de zingende klucht van Lijsje Flepkous op zo'n plankier, in de buitenlucht. Wezenlijk voor de authentieke luisterervaring is het veroveren van een gunstig plaatsje in de menigte. Een kwestie van er vroeg bij zijn, en wellicht een beetje voordringen. De Klucht van Lijsje Flepkous wordt integraal opgenomen op de cd Theatermuziek uit de Gouden Eeuw van Camerata Trajectina, die in augustus uitkomt.


Geschreven voor het Tijdschrift Oude Muziek, augustus 2007

start deze site opnieuw