Hoe Obrechts liedekens toch nog gezongen kunnen worden
Louis Peter Grijp
'Skimmies' noemde Willem Wilmink ze, aldus zijn collega-lieddichter Hans Dorrestein. Proefdichtsels, dummyverzen die niets hoeven te betekenen als ze maar het juiste ritme hebben van de muziek. Op grond van een skimmy kan een dichter nieuwe verzen maken zonder steeds de muzieknoten te hoeven raadplegen. Dorrestein vertelde over Wilmink dat diens skimmies vaak zo goed waren dat hij ze onveranderd in de liedtekst kon opnemen.
Ik schrijf dit omdat ik ook skimmies heb gemaakt, zonder te weten dat ze zo heetten. Om eerlijk te zijn denk ik dat Wilmink de enige was die zijn voorbeeldverzen zo noemde. Het woord schijnt elders onbekend te zijn. 'Dummies' lijkt meer gebruikelijk in kringen van liedtekstdichters. Maar als eerbetoon aan de Enschedese dichter houd ik het op 'skimmies'.
Mijn skimmies waren nodig voor het nieuwste project van Camerata Trajectina. Wij wilden graag een bijdrage leveren aan Jacob Obrechts herdenkingsjaar, maar bij voorkeur vanuit onze zelfopgelegde beperking: het repertoire moet Nederlandstalig zijn. Nu zijn van Obrecht een stuk of twintig composities op Nederlandse tekst bekend. (Ik zeg 'een stuk of', want er is wetenschappelijke discussie over de authenticiteit van sommige stukken.) De liedekens zijn voornamelijk overgeleverd in buitenlandse handschriften, zoals het Spaanse Segovia Handschrift (1502) en een aantal Italiaanse en Zwitserse handschriften, die getuigen van de internationale roem die de Vlaamse componist genoot. In de meeste gevallen staat van de tekst alleen de beginregel genoteerd. In Spanje en Italië kon men het Nederlands toch niet begrijpen, laat staan uitspreken. De stukken zullen er op instrumenten zijn gespeeld. Maar ook in Duitstalige gebieden werden Obrechts liedekens kennelijk instrumentaal uitgevoerd. Alleen van Tmeiskin was jonck is de oorspronkelijke tekst bewaard in een handschrift uit de Nederlanden, het Chansonnier van Lauwerijn van Watervliet. Bij de erotische dialoog Meiskin es u cutkin ru / Wat heb dier me te doene (zoals deze in het Segovia Handschrift wordt aangekondigd) ligt het iets ingewikkelder. In een Italiaans handschrift lezen we bij Obrechts muziek:
Meschine su
chut chiru
uadebtighi mete done
Laetemitas tendat bideghu
Obien tot morchent moen
Jeso luaer
Jeso daschar
it asternaer
obie tot morghent moen.
Geleerde hoofden bogen zich over deze raadselachtige regels en kwamen tot een reconstructie. Ik citeer uit de New Obrecht Edition, vol. 17:
Hij: Meiskin es
u cutkin ru?
Zij: Wat hebdi'er mee te doene?
Hij: Laetet mi tasten dat bid ic u.
Zij: O bid' tot morgen tnoene.
Hij: Jeso ruaer,
Zij: Jeso daschaer
Hij: Ist afternaer.
Zij: O bid' tot morgen tnoene.
Daar is geen woord Spaans bij. Alleen het einde is wat onduidelijk: 'Hoe ruwer, des te wilder is het erna', zou het moeten betekenen. Voor wie mijn collega's dirty minds toedicht heb ik hier nog een latere versie uit het Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600 opgediept:
Hol meysken,
is dijn Cuersken ru?
Wat hebdijer me te doene?
Laetse my tasten dat bid ick u.
Onbeyt vry tot morghen noene.
Zo wordt het liedje geciteerd in het tafelspel Drie eenlingen Seer vermaeckelijck over tafel in bruyloften ende vrolijcke maeltijden te speelen (Delft 1597). Het aanstootgevende drieletterwoord is hier keurig 'keursje' geworden, dat is een lijfje of rok, in elk geval een kokervormig kledingstuk. Lekker dubbelzinnig, zoals het hoorde.
Obrechts Rompeltier is ook in een Italiaanse verbastering overgeleverd en daarnaast in een Nederduitse versie die enig licht op de tekst werpt. Bij de overige liederen van Obrecht staat in de handschriften alleen de beginregel vermeld. In een enkel geval is toch nog een tekst te traceren, zoals de liefdesklacht Moet my lacen u vriendelic schijn in het Antwerps Liedboek (1544). De rest lijkt voorgoed van de aardbodem verdwenen.
Men zou kunnen veronderstellen dat de liedekens als instrumentale muziek zijn gecomponeerd. Wie de noten goed bekijkt komt bij enkele werkjes inderdaad tot die conclusie, zoals bij Tandernaken. Maar de meeste liedekens lijken toch echt gezongen te zijn geweest. Obrecht zal ze in de tijd dat hij in de Nederlanden werkzaam was hebben gecomponeerd, wellicht in Brugge of in Antwerpen of Bergen op Zoom. Veel van de teksten die hij gebruikte moeten kluchtig van aard geweest zijn: Ic draghe de mutse clutse, In hebbe gheen ghelt, Wat willen wij metten budel spelen/ ons ghelt is uut - verzen uit de mond van zotten die hun laatste oortje met drank hebben versnoept. De speelse, dansende noten wijzen ook in die richting. Muziek uit de Omgekeerde Wereld, zoals die graag door rederijkers werd bezongen. De noten van Wat willen wi metten budel spelen zijn afgebeeld op een schilderij van Pieter Coecke van Aelst, De Verloren Zoon (ca 1540). De muziek ligt op tafel voor de zoon, die wordt geflankeerd door twee luit en fluit spelende dames van plezier.

Hoe aantrekkelijk ook, de meeste van Obrechts liedekens kunnen niet meer gezongen worden, bij gebrek aan tekst. Echt iets voor Camerata Trajectina, waarmee we inmiddels al aardig wat halfverloren muziek hebben gereconstrueerd - de Souterliedekens van Mes, de zielroerende zangen van Ban, het Maastrichts Liedboek. Wat er in dit geval gereconstrueerd kan worden is de vorm van de verzen: accenten, versritme, het rijm. Die zijn tastbaar te maken met behulp van skimmies. Maar anders dan bij Wilmink kunnen de skimmies die aan mijn brein ontspruiten het daglicht niet verdragen. Mijn literaire talent is net voldoende voor sinterklaasavond. Mijn skimmies dienen dan ook een hoger doel, als voorbeeld voor een echte dichter. We waren het er binnen Camerata snel over eens dat dat Gerrit Komrij moest zijn. Komrij heeft zich altijd een warm pleitbezorger van oudere Nederlandse literatuur betoond. Na zijn roemruchte De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten uit 1979, waarin hij een frisse kijk op de literaire canon ventileerde, verschenen soortgelijke bloemlezingen uit de poëzie van de 17e en 18e eeuw (1986) en van de 12e tot de 16e eeuw (1994). In die laatste bundel herken ik nogal wat liedteksten die we ooit met Camerata Trajectina hebben uitgevoerd of opgenomen: uit het Antwerps Liedboek bijvoorbeeld Ic stont op hoghe bergen, Van fier Margrietken, Van Brandenborch, Een oude man sprack een meysken an, Het reghende seer ende ick worde nat, In oostlant wil ic varen, Ick hebbe gedraghen wel seven jaer/ Een pacxken van minnen, en nog veel meer; uit het Maastrichts Liedboek Al hadde wy vijfenveertich bedden, Wy comen hier gelopen, Ghequetst ben ic van binnen en natuurlijk Ic sou studeren in eenen hoeck, uit het Chansonnier Lauwerijn van Watervliet Ghisternavent was ic maecht, uit het Geuzenliedboek Ic hope dat den tijdt noch comen sal (Vive vive le Geus), Hebdy niet ter Misse geweest (bij ons uit De Hoer van Babylon), Slaet opden Trommele van dirredomdeinne, Helpt nu u self soo helpt u Godt, het Gentsch Vader-onze (uit Die tyrannie verdrijven, onze eerste lp), Den eersten Psalm van Ducdalva, Ick heb droefheyt vernoemen/ Sprack daer een Spaensche poet, het Wilhelmus natuurlijk, te veel om op te noemen. Daarnaast koos Komrij refreinen van de rederijkers, voor wie hij in NRC-Handelsblad menige lans had gebroken. En Obrechts liedteksten komen zichtbaar uit een rederijkersmilieu.
Het was duidelijk: Gerrit Komrij was onze man voor dit project. Gelukkig bleek de dichter desgevraagd genegen zijn schouders eronder te zetten - want dichten doe je met de schouders, zoals hij zelf zijn beeldspraak verklaarde. Mijn skimmies dienen dus als voorbeeldverzen voor Komrij. Als zijn verzen goed op de skimmies passen, kan Camerata ze probleemloos zingen op Obrechts muziek, is de redenering. Op het moment dat ik dit schrijf, wacht ik in spanning op post uit Portugal.
De skimmies hebben nog een toepassing. In afwachting van Komrij's verzen kunnen we de liederen alvast instuderen. Dat blijkt goed te werken. De zangers malen niet om mijn kromme gerijmel en zijn zeer te spreken over de zingbaarheid van de skimmies. Het klinkt ook prachtig, wat geheel Obrechts verdienste is.
Ik geef een voorbeeld:
Ic draghe de mutse clutse, voor vier stemmen. In het Segovia Manuscript
staat alleen deze beginregel. Het beste is uit te gaan van de tenorpartij, in
Obrechts tijd nog de belangrijkste melodiestem, vaak cantus firmus-achtig. De
oorspronkelijke woorden passen precies op de eerste frase van de tenor: acht
noten voor acht lettergrepen. Ook de tweede frase lijkt probleemloos: tien noten
voor tien lettergrepen, waarbij er twee keer een huppeltje in het ritme zit.
Bij nader toezien bestaat de frase uit twee gelijke stukjes met elk twee accenten.
Dat heeft consequenties voor de tekst: ofwel er is sprake van binnenrijm, of
de tekst wordt herhaald. Ik kies, nog vol inspiratie, voor het binnenrijm: Wat
scheefjes en schuin// Bekroont hij mijn kruin, met dank aan Bredero. Over
het geslacht van het rijm, mannelijk of vrouwelijk, hoeft niet te worden gedubd,
gelukkig. Het kan alleen maar mannelijk zijn, er is geen ruimte voor een onbeklemtoonde
lettergreep aan het eind.
Volgende vers. Dat heeft maar vier noten, dus vier lettergrepen: twee accenten
blijkt uit de muziek, net als Wat schééfjes en schúín,
maar zonder huppeltje. Het derde vers zal daar dan wel op gerijmd hebben. Ik
maak ervan: Half grijs half bruin. Nu moet er zo zoetjes aan worden gerijmd
op 'clutse' uit het eerste vers, anders raakt dat uit beeld. De muziek gaat
over in een driedelige maat. Moet ik nu ook driedelige verzen gaan schrijven?
In de tenor zou dat kunnen, maar in de bas staan twee ligaturen , blijkt uit
het onvolprezen deel 17 van de New Obrecht Edition, verzorgd door Leon
Kessels en Eric Jas. Dat lijkt bindbogen te impliceren. Dus ik volg alleen de
eerste triool van de muziek, voor de tweede maak ik een tweeledige versvoet:
Ik kán daar niet véel meer áán verprútsen.
De muziek loopt uit in een cadens en dan begint er iets nieuws. We hebben nu
staan:
Ic draghe de
mutse clutse,
Wat scheefjes en schuin// staat hij op mijn kruin,
Half grijs, half bruin,
Ik kan daar niet veel meer aan verprutsen.
In de symbolische notatie die we op het Meertens Instituut gebruiken wordt dat: .3a.2B+2B.2B.4a (met kleine letters voor het vrouwelijk rijm en hoofdletters voor het mannelijke). Ziet er niet slecht uit. Achteraf gezien zou je ook nog kunnen denken dat de vierde versregel 4a net als de eerste maar drie accenten heeft gehad, 3a. Mooier voor de symmetrie van de strofe. Dan zou het iets moeten zijn geweest als Ik kan daar niet veel verprutsen. Maar de melismen die daarvan het gevolg zijn, liggen niet goed op de stem, vind ik, te veel noten op -prut- zingt niet lekker. Ik houd het maar zo.
Misschien nog één
detail om het wikken en wegen dat dit werk eigen is te illustreren. Het vers
Half grijs, half bruin past perfect op de tenor, maar de bas heeft twee noten
te veel. De eerste noten vormen weer een ligatuur, dus die binden we en dan
is er nog maar één lettergreep over. Die moet dan ook maar gebonden
worden. Ik begrijp Obrecht wel. Hij wilde het motief c'-a-bes-c' in alle vier
stemmen imiteren, maar liep in maat 16 tegen een kwart tussen alt en tenor aan.
Dat mag niet volgens de regels van het contrapunt. Het mag wel als er een F
onder klinkt; die moest de bas dus zingen, voordat hij aan zijn eigen motief
begint. Dat verklaart de extra noten in de bas, daar hoefde ik dus de tekst
niet op aan te passen.
Tot zover dit kijkje in de keuken van een skimmydichter. Aldus delibererend
zijn alle skimmies ontstaan, eerst vanuit de tenor, dan aangepast aan de noden
van de overige stemmen. Er bleven maar een paar composities over waarvoor ik
geen bevredigende tekstvorm kon reconstrueren. Het zijn precies de stukken waarvan
al eerder werd aangenomen dat Obrecht ze instrumentaal had geconcipieerd. Waar
blijft de post?
ILLUSTRATIES:
1. Eerste pagina van Ic draghe de mutse clutse, muziek van Jacob Obrecht, dummytekst van Louis Peter Grijp.
2. Pieter Coecke van Aelst, De Verloren Zoon (ca 1540). Beschreven in Colin Slim, The Prodrigal Son at the Whores' Music Art and Drama. Distinguished Faculty Lecture 1975-76. University of California, Irvine 1976.
Overgenomen uit: Tijdschrift voor Oude Muziek, augustus 2005.
NASCHRIFT:
Dit artikeltje
schreef ik in eind april 2005, juist voor de deadline van het Tijdschrift Oude
Muziek. Begin mei mailde Gerrit Komrij zijn gedichten, die inderdaad perfect
pasten op de skimmies, en daarbij prachtige gedichten bleken, in de geest van
de rederijkers én in de geest van Komrij zelf. LPG.