Eerst Napels zien en dan… leven!

Grand Tour, bestemming Napels

In 1647 vertrekt de Leidse student Nicolaas Heinsius naar Italië voor een rondreis van twee jaar. Niet Florence of Rome, maar Napels verovert zijn hart. In het kielzog van Heinsius, en met zijn beeldrijke brieven als gids, doet Camerata Trajectina de trip nog eens over. Met de mooiste Italiaanse muziek uit Nederlandse bronnen wekt deze grand tour ook bij u de reiskriebels.

PROGRAMMATOELICHTING

Wie in de 16e en 17e eeuw van goede huize kwam, maakte een Grand Tour naar Italië om daar met eigen ogen de schatten van de Grieken en Romeinen te bewonderen. De mooiste plekken werden aangedaan: Florence, Venetië, Rome. Eindpunt van deze reis was veelal Napels, geroemd om zijn schone lucht, prettige klimaat en de nabijheid van de Vesuvius.

Kunstenaars en componisten maakten deze reis als onderdeel van hun opleiding. De Italiaanse muziek en kunst waren toonaangevend en vonden hun weg naar de Nederlanden; er was een levendige circulatie van prenten, tekeningen, schilderijen en muziekboeken. Cornelis Schuyt was een van de componisten die naar Italië reisden. De stad Leiden betaalde hiervoor. Als dank schreef Schuyt ‘ O Leyda Gratiosa’, een lofzang op de stad.

In dit programma volgen we de voetsporen van Nicolaas Heinsius, een student filologie uit Leiden die in 1646 een tweejarige reis naar Italië ondernam. Zijn vader Daniel Heinsius was hoogleraar aan de universiteit en genoot internationaal faam als uitgever van klassieke teksten en als dichter. Hij schreef een aantal teksten voor Schuyt’s ‘Hollandse Madrigalen’, vocale meesterwerken gemodelleerd naar Italiaans voorbeeld.

In Livorno zet Nicolaas vaste voet aan wal en snelt naar Florence. Hier verblijft hij bij Giovanni Battista Doni. Deze musicoloog debatteerde in een vlammende briefwisseling met Constantijn Huygens, René Descartes en Joan Albert Ban over de manier waarop gezongen tekst het beste tot zijn recht komt; een discussie die in Florence begon en waar Giulio Caccini en Cavalieri aan bijdroegen.

Eenmaal in Rome aangekomen hoort Nicolaas van het plotseling overlijden van zowel Doni als zijn tante, die hem heeft opgevoed. In zijn brieven beschrijft hij hoezeer dit zijn gemoed bezwaard. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Nicolaas, samen met zijn reisgenoot Matthijs van Merwede, een bezoek gebracht aan de Bentveughels, een soort broederschap van Nederlandse kunstenaars in Rome. Zij waren naar Rome getrokken om hun studie af te ronden met het bestuderen van de daar aanwezige meesterwerken. Om lid te kunnen worden moest men een inwijdingsritueel ter ere van Bacchus ondergaan, waarbij de wijn rijkelijk vloeide. Het nieuwe lid kreeg een “Bentnaam” toegekend; zo heette Dirk van Baburen de “biervlieg”. Matthijs van Merwede is bekend geworden met zijn pikante gedichten over zijn seksuele escapades tijdens zijn verblijf in Italië.

Stalpart van der Wiele, zelf ook in Rome geweest, dichtte, net als zijn tijdgenoten, teksten op bestaande melodieën. Maar hij gaat een stap verder. Hij voorziet alle partijen van bekende 5- en 6-stemmige madrigalen van o.a. Marenzio van een Nederlandse tekst.

Daarna vertrekt Nicolaas naar Napels. Hij krijgt hiervoor een vrijgeleide via zijn vriend Caspar van Kinschot, een van de onderhandelaars voor vrede in Münster. De periode in Napels is de gelukkigste tijd van zijn leven. ‘Heele dagen bijna dicht ik hier’, schrijft hij uitgelaten aan zijn vader. Op 1 Juli 1647 komt de bevolking van Napels, door het Spaanse bewind onderdrukt, onder aanvoering van de visser Masaniello in opstand. Nicolaas ziet zich genoodzaakt te vluchten en terug te keren naar Livorno.

De muzikale invloed van Napels op de Nederlandse muziek laat zich vooral gelden in de Canzoni Napoletana. Met name de liederen van Ferretti zijn enorm populair. In 1609 wordt in Leiden de bundel Nervi d’ Orfeo gedrukt. In deze bloemlezing met Italiaanse madrigalen nemen Napolitaanse componisten een prominente plaats in.