Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Cornelis Schuyt

Cornelis Schuyt (1557-1616) is de grootste musicus die de stad Leiden heeft voortgebracht. In 1593 werd hij aangesteld als tweede organist naast zijn vader, Floris Schuyt. Wekelijks wisselend bespeelden zij de orgels van de Pieterskerk en de Pancraskerk (Hooglandse kerk). Toen Floris in 1601 overleed werd Cornelis organist van de Pieterskerk, een functie die hij zou uitoefenen tot zijn dood. Daarnaast werd hij geacht bij bijzondere gelegenheden van de stad tafelmuziek te verzorgen en een of twee knapen muziekonderwijs te geven. Ook heeft hij een paar jaar de voorslagen verstoken van de torens van het stadhuis en de looihal.

Het Leidse stadsbestuur had grote waardering voor Schuyt. In zijn contracten ontbreekt de gebruikelijke aanmaning om hard te studeren en Schuyt hoefde geen eed af te leggen, zoals dat bij stadsdienaren gebruikelijk was. Daarbij werd hij goed betaald: zijn jaarwedde liep op tot uiteindelijk 450 gulden.

Schuyt was met Leiden vergroeid, maar dat had ook anders kunnen lopen. Als jongeman maakte hij een grote reis naar Italië, vermoedelijk samen met zijn vader, naar men aanneemt een studiereis. De stad Leiden heeft wellicht aan de kosten bijgedragen. In hoeverre vader en zoon Schuyt in Italië om zich heen hebben gekeken naar andere interessante betrekkingen weten we niet. Maar als het Leidse stadsbestuur de inmiddels teruggekeerde Cornelis in 1593 een levenslang contract aanbiedt, vindt hij drie of vier jaar wel genoeg. Toch zou hij zijn hele verdere leven in de stad slijten, op basis van meerjarige contracten die steeds verlengd werden.

Alles wat we weten over Schuyts buitenlandse verblijf is gebaseerd op mededelingen in zijn Primo libro de madrigali (Eerste madrigaalboek; uitgegeven in 1600), waarin hij in het Italiaans schrijft blij te zijn dat hij in Leiden is teruggekeerd na veel werkzaamheden en omzwervingen in Italië en elders. Hij droeg het boek op aan de pretore, consuli et senato, dus aan de schout, schepenen en vroedschap van Leiden, en toonde zich dankbaar voor de weldaden die zij hem en zijn vader hadden bewezen. Een en ander zette Schuyt kracht bij met twee speciale composities: het openingsmadrigaal O Leyda gratiosa (O bevallig Leiden) en een canon met de tekst ‘Bewaert Heer Hollandt, En zalicht Leyden’. Het stadsbestuur beloonde Schuyt met 24 gulden, overigens een gebruikelijk honorarium in dit soort gevallen.

Het componeren van madrigalen moet voor Schuyt een passie zijn geweest, en misschien ook wel een visitekaartje. Veel van zijn madrigalen heeft hij geschreven met Leidse burgers in gedachten. Zo is in het vijfstemmige Sí come fra le stelle de naam van een zekere Andrea Ousthoorn verwerkt, en is Lieta piú dell’usato een naamdicht op ene Lucretia. In 1611 publiceerde Schuyt een tweede bundel Italiaanse madrigalen, ditmaal zesstemmig, onder de titel Hymeneo, overo madrigali nuptiali et altri amorosi (Lofzang aan Hymen, ofwel bruilofts- en andere liefdesmadrigalen). Hij droeg het boek op aan Jacob van Duvenvoorde, Heer van Obdam en admiraal van Holland, die in 1604 was getrouwd met Anna van Brederode. In Sposo gentil is zij het waarschijnlijk die wordt aangeduid als Beatrice, naar de geliefde van Dante. Behalve de madrigalen die in genoemde bundels werden gepubliceerd moet Schuyt er nog veel meer gecomponeerd hebben, zo blijkt uit de inventaris van zijn nalatenschap waarin twee handschriften met madrigalen worden genoemd. Daarnaast bezat Schuyt een indrukwekkende hoeveelheid madrigaalbundels van Italiaanse componisten.

In het intellectuele milieu rond de Leidse universiteit zal men Schuyts Italiaanse madrigalen ongetwijfeld hebben weten te waarderen. Maar in datzelfde milieu circuleerden ook humanistische ideeën over de emancipatie van de Nederlandse taal. Zo schreef de beroemde classicist Daniel Heinsius gedichten in het Nederlands. Enkele daarvan zijn door Schuyt getoonzet en uitgegeven in zijn bundel Hollandsche madrigalen (1603). Ook deze bundel bevat diverse stukken naar aanleiding van huwelijken van aanzienlijke Leidse burgers. Opvallend is een madrigaal ter gelegenheid van het grootse rederijkersfeest in 1596, waarbij de Leidse kamer De Witte Acoleyen zo’n 150 rederijkers uit Leiden en tien andere Hollandse steden mocht ontvangen. De bezoekende kamers werden welkom geheten met het lied Uyt jonsten es begrepen ‘t spel, waarin hun namen en zinspreuken kunstig zijn verwerkt. Schuyt heeft het voor vijf stemmen gezet.

Toch lijkt Schuyt te hebben geaarzeld over zijn Hollandse madrigalen. In zijn opdracht aan Jan Cnotter geeft hij toe dat de vaderlandse kunsten en wetenschappen recentelijk grote voortgang hebben geboekt en dat er ook tot ‘meerder nut en roem des lands’ in de eigen taal wordt gepubliceerd, maar dat zijn vrienden hem hadden moeten overhalen om ook muziek in de Nederlandse taal te componeren. Hoewel Schuyt altijd van mening is geweest dat men in het Nederlands net zo goed kan zingen als in andere talen had hij toch een zekere schroom moeten overwinnen – omdat andere componisten dat beter zouden kunnen dan hij en dat ook al gedaan hadden, schrijft hij. Het klinkt als een smoesje van iemand die liever in het Italiaans zingt en componeert. Misschien stelde zijn publiek dat ook meer op prijs, want van de vijf stemboeken van de Hollandsche madrigalen zijn er maar drie bewaard. Van Schuyts Italiaanse uitgaven zijn daarentegen ettelijke sets compleet bewaard gebleven. De Hollandse madrigalen worden vanwege de incomplete overlevering nooit uitgevoerd. Nico van der Meel heeft echter voor deze cd de twee ontbrekende stemmen van Uyt jonsten es begrepen ‘t spel gereconstrueerd. Eerder maakte Van der Meel een reconstructie van Schuyts Musijck, die ongeschende maecht, op tekst van Daniel Heinsius, voor onze cd Hollandsche Madrigalen (1997). Die cd is echter vooral gewijd aan de Haarlemse speelman Cornelis Tymanszoon Padbrué, die er juist een eer in stelde om Nederlandse gedichten op muziek te zetten.

Uitzonderlijk in Schuyts vocale oeuvre is het motet Domine fiant anima mea. Het is overgeleverd op een gravure van Zacharias Dolendo (ca. 1561 – ca. 1604, Leiden) naar een ontwerp van diens leermeester Jacob de Gheyn II (1565 – 1629, Den Haag). Dergelijke beeldmotetten, korte muziekstukken die waren gevat in een bijbelse of anderszins religieuze voorstelling, waren populair bij Zuid-Nederlandse graveurs aan het einde van de zestiende eeuw. Op de gravure zijn de zes stemmen van Schuyts motet verdeeld over drie koorboeken die worden vastgehouden door engelen, terwijl de Heilige Cecilia op het orgel speelt. Het motet en de voorstelling onderstrepen Schuyts vermoedelijke katholieke geloofsovertuiging. Weliswaar werden ambtenaren in de Republiek geacht calvinist te zijn, maar voor organisten werd nogal eens een uitzondering gemaakt. In de regel handhaafde men de organist na de alteratie (de overgang van een kerk van katholieke in gereformeerde handen). Van sommige organistenfamilies is bekend dat zij katholiek bleven, zoals de Van Velsens in Haarlem en Monnickendam, de De Voisen in Den Haag en Utrecht en wellicht de Sweelincks in Amsterdam. In Leiden lijkt het bij de familie Schuyt ook zo te zijn gegaan. De huwelijken van Cornelis, zijn zus en twee halfbroers van hem werden althans voor de schepenen gesloten, wat doorgaans gebeurde als niet beide echtgenoten calvinist waren.

Voor de componist Schuyt was het essentieel dat hij zijn muzikale opleiding grotendeels zal hebben genoten vóór 1572, toen Leiden naar het protestantisme overging. Hij moet nog contrapuntlessen hebben genoten in de rijke katholieke traditie van de Nederlanden. Inderdaad laat zijn muziek een gedegen contrapuntische stijl zien. In sommige van zijn zesstemmige madrigalen zijn zelfs canons verwerkt.

Een rijke contrapuntische textuur kenmerkt ook de instrumentale muziek die Schuyt heeft nagelaten – weliswaar niet voor het orgel, zoals men zou verwachten, maar voor instrumentaal ensemble. Zijn bundel Dodeci Padovane, et altretante Gagliarde Composte nelli dodeci modi (Twaalf pavanes en evenveel gaillardes gecomponeerd in de twaalf kerktoonsoorten, 1611) omvatten twaalf paren van zesstemmige pavanes en gaillardes, dat wil zeggen langzame schrijddansen en vlotte springdansen. Door het royale contrapunt hebben ze echter meer het karakter van fantasieën dan van dansmuziek. Als toegift van de bundel fungeren twee canzones in Franse stijl, Fortuna Guida en La Barca. Kennelijk wenste de componist zichzelf geluk met deze titels, die immers betekenen: Moge de Fortuin leiden en De Schuit.

Louis Peter Grijp.


Voor dit programma is dankbaar gemaakt van het werk van wijlen dr Alfons Annegarn: zijn dissertatie Floris en Cornelis Schuyt. Muziek in Leiden van de vijftiende tot het begin van de zeventiende eeuw (diss. Utrecht 1973), en de door hem uitgegeven werken van Cornelis Schuyt, Monumenta Musica Neerlandica X 1-3 (Amsterdam 1980-84).

 
close